De identiteit van Calabrië “Leonida Repaci”
De identiteit van Calabrië “Leonida Repaci” De dag dat Calabrië aan de beurt was…
In dit ontroerend gedicht vertelt Leonida Repaci het verhaal van haar mooie land…..klik op de woorden om de plaatsen te ondekken.
De dag dat Calabrië aan de beurt was…
God had 15000km² groene klei met een paarse schijn in zijn handen. Hij dacht dat hij met deze klei een land kon maken met twee miljoen inwoners. Hij was in een creatieve bui onze lieve heer, en hij beloofde zichzelf een kunstwerk te maken. Hij begon eraan, en Calabrië ontstond uit zijn handen mooier dan Californië en Hawaii, mooier dan de Côte d’ Azure en dan de Japanse Archipels. Hij gaf Sila de den, Aspromonte de olijf, Reggio de bergamot, aan de zeestraat de zwaardvis, aan Scilla de zeemeerminnen, aan Chianalea de burchten, aan Bagnara de pergola’s, aan Palmi de vijg, aan Pietrosa de zeemeeuw, aan Gioia het olie, aan Cirò de wijn, aan Rosarno de appelsien, aan Nicotera het stekelig peertje, aan Pizzo het tonijnvis, aan Vibo de bloem, aan Tirolo de mooie vrouwen, aan Mesima de eikenboom, aan Busento de trompet van koning Barbaro, aan Amendolea de nachtegaal, aan Crati het lange water, aan Scoglio het korstmos, aan Roccia de oleastro, aan de bergen het gezang van de zwervende herder die over ent weer loopt, aan greppo de ginester, aan de vlaktes de gaarden, aan de strand de eenzaamheid, aan de golven de weerspiegeling van de zee. Aan Cosenza schonk hij de Accademie, aan Tropea de bischop, aan San Giovanni in Fiore de handweverij, aan Catanzare de damascus, aan Antonimina het helende modder, aan Agnana het bruinkool, aan Pazzono de pyriet, aan Galatro het zwavel, aan Villa San Giovanni het ruwe zijde, aan Belmonte het groene marmer. Hij overhandigde Pythagoras aan Crotone, Orpheus aan Crotone, Democedes aan Crotone, Almeon aan Crotone, Arsteon aan Crotone , Philolaus eveneens aan Crotone, Zaleuco aan Locri, Ibico aan Reggio, Clearco aan Reggio, Cassiodorus aan Squillace, Sint Nilo aan Rossano, Gioacchino aan Fiore a Celico, Fra’Barlaam aan Seminara, Sint Franciscus aan Paola, Telesio aan Cosenza, de parrasius eveneens aan Cosenza, Gravina aan Roggiano, Campanella a Stillo, Mattia Preti a Taverna, Galluppi a Tropea, de tweeling Careri aan Taurianova, Guerrisi aan Cittanova, Manfroce aan Palmi, Cilèa eveneens aan Palmi, Alvaro aan San Luca, Calogero aan Melicuccà, Rito aan Dinami. Hij gaf aan Stilo la cattolica , aan Rossano il Patirion, ook aan Rossano het Evangelie purpurea, aan Sint Marco Argentano de Normandische toren, aan Locri de pinakes, eveneens aan Locri het heiligdom van persephone, aan Sint Severina de doopkapel van Rotonda, aan Squillace de Tempel van Roccelletta, aan Cosenza de kathedraal, aan Gerace ook een kathedraal, aan Crotone de Tempel van Hera Lacinia, aan Mileto de munt, ook aan Mileto de Basiliek van de heilige Drievuldigheid, aan Santa Eufemia Lamezia de abdij, aan Tropea de dom, aan San Giovanni in Fiore de abdij Florens, aan Vibo de kerk van Sint Michelle, aan Nicotera het kasteel, aan Reggio de Tempel van Artemide Facellide, aan Spezzano Albanese Necropolis van de eerste ijzertijd. Vervolgens ging hij verder met het verdelen van de maanden en de seizoen aan Calabrië. De winter kreeg de zon, de herfst kreeg de zon, de lente kreeg de zon en de zomer kreeg de zon. Januari gaf de kastanje, februari de pignolata, maart de ricotta, april foccacia met ei, in mei de zwaardvis, in juni de kers, in juli de vijf en obergine, in augustus de zibbibo-druif, in september de stekelige peer, in oktober de mosterd, in november de walnoot, in december de appelsien. Hij wilde dat de moeders zacht waren, de echtgenote moedig, de dochters gedragvol, de kinderen beeldig, de mannen gezagvol, de ouderen gerespecteerd, de bedelaars beschermd, de ongelukkige geholpen, de mensen sociaal, gastvrij, loyaal, de beesten liefdevol behandeld. Hij wilde de zee steeds paars, de roos bloeiend in december, de hemel glad, het weiland vruchtbaar, zet de pingue, een overvloed aan water, een schitterend klimaat, de parfum van kruiden. Eens al dit in het verleden en toekomst verwezenlijkt te hebben werd onze lieve heer moe en in zijn vermoeidheid genoot hij van het meesterwerk dat hij verwezenlijkt had. Van deze vermoeidheid maakte de duivel misbruik en schonk Calabrië ook rampen en onheil : de bezetting, de aardbeving, malaria, latifundium, de overstromingen, de meeldauw, de droogte, de oleariavlieg, het analfabetisme, de eerkwesties , de jaloezie, de eervennootschap, het wraakgevoel, de agressie, het vals getuigen, de miserie, de emigratie. Na de rampen, de noden : de woning, de school , de wegen, het water, het licht, het ziekenhuis, het kerkhof. Aan deze voegde hij de nood aan gerechtigheid toe en de nood aan vrijheid, het grootheidsgevoel, de drang naar nieuw, de drang naar beter. Nu ook de duivel voldaan was van zijn werk, was het de beurt aan hem om in te slapen terwijl onze lieve heer terug ontwaakte….Toen hij zijn ogen opende en zag wat de duivel had aangericht, gooide hij de duivel in de diepe diepte van de hemel. Langzaam aan kwam hij weer tot rust en zei : Dit kwade en deze node zijn nu eenmaal losgelaten en zullen zijn verloop kennen. Maar deze zullen Calabrië niet kunnen verbieden te zijn zoals ik gewild heb. Haar geluk zal tot stand komen met meer zweet, dat is alles.
Een nacht die het aanbreken van de dag al bezit